Mijn naam is Obligatie, James Obligatie
Sommige Engelse financiële termen hebben ook een niet-financiële betekenis. Bijvoorbeeld bond, call, interest, stock, default en spread. Dat kan tot vergissingen leiden.
Bij Trade Republic moet ik wel eens vertalingen controleren en met dit soort woorden gaat het dan wel eens mis. Call warrant kan dan “Warrant bellen” worden, de “bid offer spread” wordt iets met smeersel, bij “default” gaat het opeens om de standaardinstelling enzovoorts.
Grappig genoeg blijken ook mensen met Engels als moedertaal hier last van te hebben.
In de meest recent aflevering van de podcast “Masters in Business” met Carl Richards, bekend van zijn schetsjes in de New York Times om financiële principes inzichtelijk te maken hoorde ik namelijk de volgende grappige anekdote:
Toen hij net getrouwd was zagen zijn vrouw en hij een vacature waarvan ze dachten dat het een baan als security guard, beveiliger, was. Bij een winkeltje met de naam Fidelity. Toen hij ging solliciteren waren er geen vragen over kungfu of zelfverdediging, maar over dingen waar hij niets van begreep zoals “securities”.
Richards en zijn vrouw hadden dus niet begrepen dat securities effecten betekent en in dit geval niet iets met veiligheid te maken had. Uiteindelijk bleef hij over met één andere kandidaat. Die andere persoon werd de baan aangeboden, maar die wilde niet en toen begon (ondanks zijn op dat moment totale gebrek aan kennis) zijn succesvolle carrière in de financiële wereld…
Ondanks het pak ging het sollicitatiegesprek bij de Amerikaanse securities firm niet goed.
Van ruilen komt huilen
In deze ook verder vrij amusante podcast is ook deze belangrijke constatering te horen:
"Niet alleen presteert de gemiddelde belegger slechter dan de gemiddelde belegging, de gemiddelde belegger presteert zelfs slechter dan zijn eigen beleggingen."
Dit wordt onder andere geïllustreerd met een anekdote uit de tijd dat Richards werkte als adviseur die institutionele klanten hielp met de selectie van fondsmanagers. Ze hadden een methodiek ontwikkeld om managers te selecteren en hij raadde op basis hiervan op een gegeven moment fondsmanager A (noem hem even zo voor het gemak) aan een klant aan. Na een paar jaar viel A buiten de norm, dus die werd vervangen door manager B. Weer een paar jaar later voldeed B ook niet meer aan de criteria, maar kwam (je raadt het al) A weer bovendrijven.
Toen Richards A nu weer aan de klant voordroeg als vervanger van B, zei de klant, wacht even, hadden we A niet tweeënhalf jaar geleden ontslagen? Waarop Richards ja zei.
Toen zei de klant: “weet je wat ik wil zien?”
“Ik wil het rendement van A zien vanaf de dag dat we die voor het eerst inhuurden tot nu. Ik wil ook het rendement van B zien vanaf de dag dat je A ingehuurd hebt tot nu. En ik wil dat vergelijken met het rendement op mijn eigen portefeuille.
Wat bleek, het rendement van de eigen portefeuille was slechter dan dat van zowel A als van B over de hele portefeuille. Hij was beter af geweest door de portefeuille met rust te laten en niet te switchen.
De return was waarschijnlijk nog beter geweest als was gekozen voor een passieve belegging, zoals de resultaten van het SPIVA-rapport elk jaar weer laten zien, ook in deze podcast genoemd.
En met return wordt hier niet de allereerste slag die je bij tennis slaat nadat de tegenstander de bal heeft geserveerd bedoeld.